Diederik Durven is de enige Delftenaar die het heeft gebracht tot gouverneur-generaal van Oost-Indië (1729-1732). Maar hij geniet tevens de twijfelachtige eer de enige gouverneur-generaal te zijn geweest die door de Heren XVII werd ontslagen en teruggeroepen uit Batavia. De Heren XVII gaven als reden voor het ontslag de toenemende misbruiken en knoeierijen, de 'menigvuldige excessen' van hoge en lage ambtenaren, en de verwaarlozing van bestuur, handel en rechtspraak. kortom, 'het groote verval, alomme in Indiën'.
Diederik Durven was pas enkele jaren in functie toen hij werd ontslagen. Waarom stuurden de Heren XVII hem zo snel de laan uit? De klachten, waarschuwingen en woede over misstanden waren immers niet nieuw. Al voor hem werdende verregaande 'ongebondenheid, corruptiën, ontugtigheijd en allerhande Goddeloosheden' in het Indische bestuur gehekeld. Diederik Durven werd het slachtoffer van de woede van de Heren XVII over praktijken die al veel langer bestonden en in alle lagen van de VOC voorkwamen. Daarmee is niet gezegd dat Durven persoonlijk geen blaam trof. Of hij meer schuldig of nalatig was dan zijn voorgangers is echter de vraag. Een proces heeft de compagnie niet tegen hem gevoerd, waardoor niet vaststaat waarvan hij precies werd beschuldigd.
Diederik was de oudste zoon van de Delftse advocaat mr. Paulus Durven en Yda van Mierop (zowel zijn grootvader als zijn overgrootvader waren plateelbakker). Het gezin woonde aan de Koornmarkt in een brouwerij genaamd het Truweel. Het was een grote familie: de Digitale Stamboom van Delft telt zestien kinderen voor het echtpaar. Diederik studeerde rechten in Leiden en vestigde zich na zijn promotie weer in zijn geboortestad. In 1704 werd hij benoemd tot advocaat bij de Kamer Delft van de VOC. Twee jaar later vertrok hij aan boord van het schip Grimmestein naar Oost-Indië, waar hij werd opgenomen in de Raad van Justitie. Na verschillende andere functies volgde in 1729 zijn aanstelling tot gouverneur-generaal. Bij deze benoeming werden enkele oudere kandidaten gepasseerd, wat de nodige vijandschap tot gevolg had. Dat de zaken van de Compagnie achteruit gingen staat vast en dat er op Diederiks handel en wandel het nodige viel aan te merken lijkt wel zeker. Een bron meldt dat hij de Chinese bevolkingsgroep in Batavia met ondraaglijke lasten bezwaarde, echte en vermeende misdadigers tot wrede doodstraffen veroordeelde en dat hij gunsten verleende aan 'onwaardigen'.
In oktober 1732 vertrok Diederik Durven voor de retourvaart naar ons land. Hij vestigde zich opnieuw in zijn geboortstad en ging wonen aan de statige Oude Delft. Vol wrok begon hij een proces tegen de VOC en eiste eerherstel en schadeloosstelling. Toen hij geen antwoord kreeg deed hij een beroep op de Staten-Generaal, die te kennen gaven dat deze zaak hun niet aanging. De zaak sleepte zich nog altijd voort toen Diederik in 1740 stierf. De inventaris van zijn inboedel geeft een blik op de oosterse pracht en praal die slechts was voorbehouden aan een enkele hoge VOC-functionaris die een tijd in het verre Azië had doorgebracht. Van zijn salaris alleen heeft Durven het goud, zilver en de diamanten niet kunnen kopen. Hij bezat maar liefst 1425 diamanten, zowel losse stenen als in sieraden verwerkte stenen. Daaronder waren twee briljanten van 12 en 29 karaat en een diamant van 24 karaat, verwerkt in een horloge. De voormalige gouverneur-generaal liet een bijna vorstelijke verzameling van aziatica na.