ga terug

Oosters porselein

Het was Marco Polo die in een Chinees reisverslag uit 1296 voor het eerst melding maakte van het porselein. Hij noemde het porcella, naar een weekdier met een witte schaal . Het belangrijkste productiecentrum was, vanaf de achtste eeuw, de Chinese stad Jingdezhen. Hier waren de grondstoffen voor het maken van porselein voorhanden: kaolien (porseleinklei) en petunse (een sediment van kiezelwieren en veldspaat). Deze grondstoffen werden vermalen en gekneed waarna op de draaischijf een object werd gevormd. Hierna werd het voorwerp met kobaltverf beschilderd en voorzien van een laag veldspaatglazuur. De objecten werden gebakken op een temperatuur van 1280 tot 1350 graden Celsius. Door deze hoge baktemperatuur verkreeg het porselein zijn hardheid. Nadat de voorwerpen waren afgekoeld werden ze in rijststro gewikkeld en in tonnen verpakt om zo te worden vervoerd naar Canton, vanwaar ze verder werden verscheept.

De oude waterroutes waarlangs het porselein van Jingdezhen werd vervoerd

De Portugezen waren de eerste Europeanen die zich met handel op China bezighielden. In Lissabon maakten Hollandse kooplieden aan het einde van de zestiende eeuw kennis met het porselein. Het porselein was echter alleen betaalbaar voor de Europese elite. In het najaar van 1602 werd een grote lading porselein geveild in Middelburg. Hierdoor raakt het porselein bekend in bredere kring. Een Zeeuwse compagnie had deze lading, afkomstig van het schip de San Jago, buitgemaakt op de Portugezen. Dit vroege porselein wordt kraakporselein genoemd, naar het type schip waarin het werd vervoerd, de caracca. In 1604 werd de lading van een ander Portugees schip, de Santa Catharina, in Amsterdam geveild. Hiermee was de liefde voor het kostbare Aziatische porselein in de Nederlanden definitief aangewakkerd. De VOC ging het kostbare goed dan ook zelf importeren.

In de zeventiende eeuw werden wisselende hoeveelheden porselein aangevoerd. Deze aanvoer was afhankelijk van de Europese vraag, maar ook van het aanbod in China. Politieke onrust in China zorgde ervoor dat de porseleinhandel sterk wisselde. Na 1647 stokte deze zelfs even helemaal. De VOC probeerde vanaf dat moment porselein uit Japan te betrekken. Japan werd inderdaad een porseleinleverancier van de VOC, maar de toevoer van Japans porselein was onregelmatig en bereikte nooit hetzelfde peil als die van China. Bovendien was het Japanse porselein duurder. De handel in Chinees porselein, die al snel weer werd hervat, zou overigens pas rond 1730 een aanzienlijk grotere omvang aannemen. De populariteit van thee en koffie zorgde voor een grote vraag naar thee- en koffieserviezen. Het overgrote deel van het Chinese (en Japanse) porselein werd tussen 1730 en 1796 verkocht. In totaal werd door de VOC tussen de 45 en 50 miljoen stuks porselein verkocht. Het was hiermee goed voor vijf procent van de veilingopbrengsten van de VOC.

Het porselein moest in China meteen na aankomst worden ingekocht, omdat het als ballast diende en onderin de schepen werd geladen. De porseleinen voorwerpen werden verpakt in kisten met stro en gevuld met thee. Ongeveer vijf tot zes procent kwam niettemin gebroken aan. Op veilingen werd het verkocht. Ongeveer de helft van de producten was bestemd voor de export naar de rest van Europa.

Afbeeldingen rechts: achttiende-eeuwse gouaches uit: Barbara Harrisson, Chinees porselein. Hoe het gemaakt en verkocht werd. Een inleiding op achtentwintig 18e eeuwse gouaches, Uitgaven van het Nederlands Keramiek Museum Het Princessehof.





Het winnen van de kaolien

Het slaan van de klei, het draaien van voorwerpen en het droogproces

Het aanbrengen van standringen

Het beschilderen van het porselein

Het glazuren van de voorwerpen en het schilderen van de merktekens

Het plaatsen van het porselein in de kokers en het inpakken van een oven

Het inpakken van het porselein voor transport

Het vervoer over land van het porselein in tonnen