De reden voor de Nederlanders om aan het einde van de zestiende eeuw zelf naar de Oost te varen, was de specerijenhandel. Er was sprake van schaarste op deze markt; de Portugezen brachten maar beperkte hoeveelheden naar Europa. De specerijen waren dan ook de voornaamste handelsgoederen van de VOC. Behalve specerijen werd vooral gehandeld in oosters textiel. Verder werden tropische houtsoorten, porselein, salpeter en tin naar Europa gebracht. In de achttiende eeuw nam ook de handel in thee en koffie grote vormen aan. De inburgering van deze dranken zorgden tevens voor een sterke toename van de porseleinaanvoer. De thee- en koffieserviezen waren immers onontbeerlijk voor het nuttigen van deze dranken.
Op de lijst met de generale carga van de retourvloot van 1698, spreken de meeste goederen voor zich: zwarte en witte peper, noten (nootmuskaat), foelie, kaneel, (kruid) nagelen en gember kent iedereen. Salpeter, tin, (staaf) koper en indigo zijn ook bekende producten. Een groot deel van de lading bestond uit textiel: zo zien we zijde, katoen en wol op de lijst. Armozijnen, pelangs, allegias, atlassen, soesjes, hokjes, gilams, pansjes, nekjes, sitsen en dasje, het is allemaal textiel. Ook de lange lijst van katoenen 'lijwaten' valt daaronder.
Maar niet alle producten op de lijst zeggen de moderne lezer iets. Wat werd bijvoorbeeld bedoeld met benjuin, radix China, galliga, drakenbloed, pedra del porco en bezoarstenen.
Kruiden en specerijen...
Exotische producten...